|
|
Poëzie in de klas[versie 1.2] - Melle Kramer, oktober 2001. Zoals sommige lezers misschien wel zullen weten, voer ik al geruime tijd een kruistocht tegen de opvatting dat poëzie beter niet gebruikt kan worden in de klas. Als motivatie voor die opvatting wordt vaak gezegd dat poëzie niet boeiend genoeg is, dat leerlingen zich met poëzie alleen maar lastiggevallen voelen en dat poëzie in onze huidige multimediale communicatiemaatschappij geen meerwaarde heeft. In een eerder stuk heb ik al eens verslag gedaan van een lessenserie waarbij leerlingen zelf poëzie leerden schrijven en die zeer veel succes oogstte. Het betrof hier een i-vbo klas, wat bewees dat - zelfs op 'laag' niveau - poëzie weldegelijk een vruchtbaar onderwijsmiddel kan zijn. Onlangs heb ik tijdens een tweetal lessen aan klassen met allochtone leerlingen een volgend wapenfeit behaald. Het ging om een les spreekvaardigheid. Erg belangrijk, vooral als je weet dat het hier gaat om allochtone leerlingen die niet langer dan twee jaar in Nederland zijn en die voorheen géén tot weinig onderwijs hebben gevolgd. Als lesmateriaal had ik een gedicht (dat bekend is geworden als liedje) van Willem Wilmink gekozen: Freekie. Dit gedicht gaat over een geestelijk gehandicapte jongen die mag meevoetballen met een groepje schooljongens. Zij leggen daarbij de bal op een paar meter van het doel, zodat de jongen onmogelijk kan missen. Wanneer Freekie scoort dan prijzen zij hem als was het een finale van de Europacup. De stijl van Wilmink is niet al te hoog gegrepen qua zinsbouw en metriek. Ook inhoudelijk leek dit vers mij uitermate geschikt voor gebruik in de klas, omdat het werken met het thema solidariteit en naastenliefde altijd bijdraagt aan de ontwikkeling van het individu. Ik begon de les met het geven van de agenda: eerst lees ik het gedicht voor, dan bespreken we de moeilijke woorden en dan vraag ik jullie om een voor een het gedicht voor te lezen, waarbij jullie goed luisteren en opletten of jullie punten vinden waarbij jullie de leerling die voorleest kunnen helpen met het verbeteren van zijn of haar uitspraak. Meteen sprongen er leerlingen op: "Meester, meester, mag ik voorlezen?" Dat bewijst maar weer eens dat een beetje competitie absoluut geen kwaad kan voor het welslagen van je les. Nadat ik het gedicht had voorgelezen stond het bord algauw propvol met woorden die om uitleg vroegen. Samen met de leerlingen heb ik een twintigtal minuten gezocht naar verklaringen voor woorden zoals schoolbel, scoren en 'goal' - waarbij ik de woorden die niet eenduidig uit te leggen waren op het bord tekende of uitbeeldde ("Bij een voetbal wedstrijd, als er en doelpunt gemaakt wordt, dan roept de verslaggever altijd: 'GOOOOOOOOOOOAAAAAAAAALLLLLLLL!!!!!!!!!'" - hierbij met de armen in de lucht zwaaiend). Het woord mongool leverde een interessante discussie op. Het begrip is in iedere cultuur bekend en meestal wordt er op het voorkomen van het begrip in een gesprek nogal minachtend en spottend gereageerd. In deze klas was het een jongen die het niet kon laten om een spottende interpretatie te geven van het woord mongool. Hieropde een meisje heel direct en maakte de jongen duidelijk dat geestelijk gehandicapten net zoveel mens zijn als iedereen. Zij voegde hier een vermanende, retorische gewetensvraag aan toe: "Wat zou jij doen als jouw kind een mongooltje bleek te zijn?" Vervolgens begon het voorlezen. Bevend van de zenuwen kwamen de leerlingen een voor een voor de klas. Ik gaf nogmaals de instructie: "Luister goed naar elkaar! - en als je iets hoort waarvan je denkt dat je je klasgenoot ermee kan helpen, schrijf het dan op." De opmerkingen die er kwamen waren niet mis. Op de eerste plaats kwamen er veel opmerkingen over het volume waarop er werd voorgelezen, maar daarnaast werd er ook streng geoordeeld over de uitspraak van medeklinkers en klinkers van bepaalde woorden. Er ontstonden zelfs discussies over wat er juist zou zijn en wat niet, waarbij ik me dan uiteindelijk steeds als arbiter opstelde. Wanneer een leerling alle kritiek had gekregen die er te geven viel - die ik steeds nuanceerde of preciseerde, leerlingen kunnen genadeloos zijn voor elkaar - dan las de leerling het gedicht nogmaals voor, met alle opmerkingen, tips en suggesties zoveel mogelijk in het achterhoofd. En wat viel er dan op? Precies dat waar ik op hoopte: de leerling sprak rustiger, netter, correcter en met veel meer overtuiging en durf! De leerlingen hadden elkaar ondanks het feit dat ze ongezouten kritiek op elkaar leverden, geholpen en gestimuleerd! Deze les heb ik met meerdere klassen gedraaid. Bovenstaande les nam in totaal twee volle lesuren in beslag, zonder moeite. Met een andere, grotere klas heb ik een langer gedicht behandeld (Het Roofschaap van Hans Dorrestijn) wat in totaal drie lesuren duurde. Ook weer zonder dat de leerlingen - en ikzelf - merkten dat er zoveel tijd vervloog. Hiermee acht ik wederom bewezen dat poëzie weldegelijk een bruikbaar lesmiddel is: De creatieve en gevoelsmatige manier waarop er in poëzie wordt omgegaan met taal laat geen leerling onberoerd. Daarnaast zijn de mogelijkheden om binnen (of vanuit) deze vorm van taaluiting om in te spelen op de behoeftes van leerlingen, bijna onbeperkt. Het vraagt een beetje creativiteit, maar dat kan volgens mij geen kwaad. |